Spraak en taal worden vaak in één adem genoemd, maar wat is nou eigenlijk het verschil?
Spraak is het uitspreken van woorden en zinnen. Spraak heeft veel te maken met een planning voor een woord of zin en een beweging om dat woord of die zin te vormen. Voor spreken is een motorisch plan nodig, een stem en je lippen en tong om de klanken te vormen.Als het motorisch plannen niet goed lukt, horen we vaak stotteren of broddelen (snel en onduidelijk spreken). Als er sprake is van schisis, horen we vaak nasaliteit. Als dit niet lukt, noemen we dat in het algemeen: een spraakprobleem.
Als de spraakmotorische ontwikkeling nog heel jong of verstoord is, horen we een soort muppetspraak, waarbij de mond vooral open en dicht gaat, maar nog niet gerond of gespreid wordt, dus ‘baba’, ‘mama’, ‘gaga’. Dit noem je een spraakmotorisch probleem.
Taal hangt samen met denken en gaat om je boodschap of je bedoeling overbrengen aan een ander. Je denkt symbolisch en zet dat om in woorden die een betekenis hebben. Deze woorden vorm je met klanken en van de woorden vorm je zinnen. Je kent de betekenisverschillen tussen woorden, maar ook de overeenkomsten. Je kunt kiezen welke woorden en zinnen het verschil maken om je bedoeling duidelijk te maken. Als dit niet lukt, heb je een taalprobleem.
Je kent ook de betekenisverschillen tussen klanken: zee is niet mee, ook al verschilt er maar 1 klank. Door die klank verandert de betekenis compleet. Wij weten dat deze klanken verschillend zijn. Als je dat nog onvoldoende begrijpt, gebruik je vaak dezelfde klanken of woorden, terwijl je andere dingen bedoelt, zoals tee en tee (thee en teen). Door de zin eromheen is het vaak wel te begrijpen door de omgeving. Als dit niet lukt, noem je dat een fonologisch probleem.
Reactie plaatsen
Reacties